In English HERE

Huwelijken tussen blank en zwart door

Michel Doortmont

I

Op 8 mei 1779 trouwden Christiaan van der Vegt en Kaatje de Bas in de Hervormde kerk van Weesp. Een jongeman uit Afrika, pas twee jaar eerder Christelijk gedoopt, en een jonge vrouw uit de Weesper arbeidersklasse. Een zwarte man en een witte vrouw. Kon dat zomaar? Wettelijk gezien, voor de kerk, sociaal?

Dat is een interessante vraag, waarop verschillende antwoorden mogelijk zijn. Dat het huwelijk in de Hervormde kerk gesloten werd wijst erop dat de kerkelijke autoriteiten er (formeel) geen probleem mee hadden. Maar de Hervormde kerk was in de achttiende eeuw ook de vertegenwoordiger van de Staat in huwelijkse zaken, dus kunnen we ook stellen dat de burgerlijke overheid een huwelijk tussen blank en zwart op dat moment niet als een probleem zag.

Waren interraciale huwelijken dan ook ‘gewoon’? Historica Dienke Hondius bespreekt in haar boek Blackness in Western Europe hoe complex de Europese houding ten opzichte van niet-witte mensen door de eeuwen heen was (Hondius 2014). Zij legt daarbij onder andere de nadruk op het feit dat, anders dan bijvoorbeeld in de Verenigde Staten van Amerika, landen in Europa nooit een substantiële aanwezigheid van groepen zwarte mensen gekend hebben. Voor historica Natalie Everts en ondergetekende reden om te spreken van ‘Onzichtbare Afrikanen’ (Doortmont & Everts 1999). Nu was Christiaan, zoals Annemieke heeft laten zien, verre van onzichtbaar. Diverse vermeldingen in openbare publicaties, waarin zijn huidskleur een rol speelde, zijn in dit blog al de revue gepasseerd. En ook bij zijn kinderen en kleinkinderen speelde huidskleur wel degelijk een rol in hun leven.

Toch kan gesteld worden dat interraciale huwelijken in Nederland in veel opzichten ‘gewoon’ waren. Er was geen wetgeving die deze huwelijken verbood, in ieder geval niet tussen vrije personen. En bij bekende voorbeelden van interraciale huwelijken lijkt kleurenblindheid van alle betrokkenen de boventoon te voeren. Waren interraciale huwelijken dan ook altijd sociaal acceptabel? Daar kunnen kanttekeningen bij geplaatst worden. In de achttiende eeuw kwamen er verschillende Afrikaanse kinderen van (hogere) Nederlandse dienaren van de West-Indische Compagnie in West-Afrika naar Nederland. Zij bleven hier en trouwden met Nederlandse meisjes (Doortmont, Everts & Vrij 2000). Wat opvalt is dat de mannen over het algemeen onder de stand van hun vader trouwden, hetzij met vrouwen uit een lagere sociale klasse, hetzij met vrouwen waarmee sociaal iets ‘mis’ was. Denk hierbij aan een (jonge) weduwe met kinderen, die een vader en kostwinnaar nodig had, of om oudere ongehuwde vrouwen voor wie een ‘normaal’ huwelijk met een Nederlandse man uit de eigen sociale groep niet (meer) was weggelegd. Voor Afrikaanse vrouwen uit deze groep gold vermoedelijk iets dergelijks, maar hierover is weinig feitelijke informatie bekend. Opgemerkt moet worden dat bij de genoemde voorbeelden de huidskleur van de huwelijkspartners over het algemeen tamelijk licht geweest zal zijn, omdat zij in West-Afrika uit interraciale huwelijken geboren waren.

In Frankrijk lag het allemaal wat gecompliceerder dan in Nederland. Daar was er gedurende de achttiende eeuw (‘de eeuw van de Verlichting’) sprake van een doorlopende discussie – met bijbehorende wetgeving – over de status van Afrikaanse slaven en raciaal gemengde huwelijken. Daar deed de Franse Revolutie en het bijbehorende idee van gelijkheid voor allen niets aan af (Heuer, 2009). Zo kon het gebeuren dat naar aanleiding van de Nederlandse annexatie door het Franse Keizerrijk, in de periode 1810-1813, de Franse wetgeving over interraciale huwelijken ook in Nederland ging spelen. En niet alleen in die drie jaar, maar nog tot in de jaren 1820, onder het nieuwe Nederlandse koninkrijk.

Wat was het geval? Op 18 Nivôse An XI, volgens de Republikeinse kalender, voor ons 8 januari 1803, zond de Franse ‘Groot Rechter, Minister van Justitie’ een circulaire of aanschrijving de wereld in, waarin hij schreef dat het de intentie van de regering was om huwelijken tussen zwarten en blanken te verbieden (‘que l’intention du Gouvernement est qu’il ne soit reçu aucun mariage entre des blancs en des négresses, ni entre des négres et des blanches’).

Welke uitwerking deze circulaire precies in Nederland had is nog onderwerp van onderzoek, in het bijzonder voor de periode van het Keizerrijk (1810-1813). Voor de periode erna is bekend dat de Commissarissen van Huwelijkse Zaken van verschillende burgerlijke gemeenten met de circulaire in de hand probeerden huwelijken tussen blanken en niet-blanken te verbieden. In tenminste vijf gevallen leidde dit tot een verzoekschrift aan de Koning, van het soort zoals wij inmiddels ook van Christiaan kennen (maar bij hem ging het om een baan c.q. gratificatie). Het eerste verzoek dateerde van mei 1814 en het laatst bekende van 1823. De gemeenten die dwars lagen waren Amsterdam (twee maal), Hoorn, Den Haag en Veendam.

II

De Koning vroeg in 1814 naar aanleiding van het eerste verzoek van de Curaçaose Jan Andries Machielse advies aan de belangrijkste jurist van het koninkrijk, C.F. van Maanen, de Eerste President van het Hooggerechtshof der Vereenigde Nederlanden. Van Maanen deed onderzoek en was heel duidelijk in zijn juridische opinie:

‘Dat dezelve aanschrijving [uit 1803] geenszins is gefundeerd op eenige wet maar alleen als eene order van het Gouvernement kan worden beschouwd welke onder de Wetten of Besluiten, die voor deze Landen obligatoir zijn verklaard niet gevonden wordt, en derhalven zelfs onder het Fransche Gouvernement hier te Lande niet verbindende is geweest.’

Met andere woorden: die aanschrijving van 1803 heeft nooit voor Nederland gegolden, ook niet in de periode 1810-1813. En Van Maanen kon het weten, want hij was van 1811 tot 1813 president geweest van het Keizerlijk Gerechtshof in Den Haag, dat de Franse wetten in Nederland toepaste. Het advies werd door Willem I overgenomen. Een belangrijke conclusie was daarbij dat er dus ook géén besluit op het verzoekschrift genomen hoefde te worden, want er was immers geen toestemming voor een huwelijk vereist. Bij alle opvolgende verzoeken werd deze argumentatie herhaald. Uit de stukken blijkt, tussen de regels, ook de frustratie van de ambtenaren rond de Koning – en misschien ook wel van de Koning zelf – dat dezelfde zaak keer op keer de kop opstak. Toch is men er niet toe overgegaan om de gemeentebesturen collectief in te lichten over de situatie, een actie waarmee alle onduidelijkheden weggenomen hadden kunnen worden.

Was de zaak juridisch zo klaar als een klontje, dat nam niet weg dat alle betrokken partijen zich geroepen voelden ook de sociale aspecten die aan de aanschrijving ten grondslag lagen serieus in de deliberaties op te nemen. Zo vervolgde Van Maanen zijn advies met een opmerking dat huwelijken tussen wit en zwart ook ‘voortijds’ (lees: voor de Franse Tijd) niet verboden waren en dat ook daarin geen grond was te vinden om tot een verbod te komen, ‘speciaal in zulke gevallen, waarin de zwarte de Christelijke Religie heeft omhelsd.’ Godsdienst was een punt van aandacht. De rekwestranten uit 1814, 1819 en 1823 gaven alle drie aan dat beide partners het Christelijke geloof aanhingen en voerden dit aan als belangrijk argument voor toestemming tot een huwelijk. Gek genoeg leverde echter niemand een verklaring in van de kerk die het verzoek zou kunnen ondersteunen.

In het geval uit 1814, tussen de Curaçaose Jan Andries Machielse en de Emmense Gerardina Hellendoorn werden nog twee aanvullende argumenten opgevoerd. Van Maanen overwoog dat ‘de suppliant en zijne aanstaande Bruid, beide reeds boven de 50 jaren oud zijn, en er dus ten hunnen opzigte die redenen niet bestaan welke misschien het Fransche Gouvernement hebben bewogen om zulke huwelijken te verbieden.’ De jurist die de aanschrijving van 1803 eerst zonder omhaal om juridische redenen naar de prullenbak heeft verwezen gaat hier dus in op de sociale redenen die de Franse regering gehad zou kunnen hebben om interraciale huwelijken te verbieden, namelijk het ontstaan van een bevolkingsgroep van gemengd ras. In de overweging ten aanzien van de Franse motieven had Van Maanen gelijk (Heuer 2009), maar in Nederland hadden de overheden ook hiervan nooit een punt gemaakt. Dus waarom dit nu wel doen? En waarom het überhaupt aan de orde stellen? Het laatste argument van Van Maanen is dat ‘de ouders van den Suppliant en zijne aanstaande Bruid zijn overleden en dat bijgevolg het verlangde huwelijk aan denzelven geen ongenoegen geven kan.’ Blijkbaar was in de Nederlandse samenleving een huwelijk tussen wit en zwart dus ook weer niet zó gewoon dat de omgeving er geen aanstoot aan nam. Leven en laten leven en polderen, maar niet zonder morren als dat zo uitkomt. In dat opzicht is er blijkbaar niet zo heel veel veranderd in de laatste twee eeuwen.

In 1819 meldde de Amsterdamse Anthon Paul zich bij de Koning, met een verzoek tot toestemming om te mogen trouwen met de Curaçaose Celestina Martina Vesta. Zij was in 1893 op ongeveer twaalfjarige leeftijd door de gepensioneerde kapitein-ter-zee Lodewijk Wiedeman uit Curaçao naar Nederland gebracht, waar zij in zijn huishouden – en na zijn dood nog jaren in dat van zijn weduwe – werkte. Paul zelf woonde al lang in Amsterdam, maar was oorspronkelijk afkomstig uit Bohemen

Naar aanleiding van de werkkring en het geloof van zijn aanstaande merkte Paul op: ‘dat dezelve in den Roomsch Catholijken Godsdienst is opgebragt, en dienvolgens niet anders behoorde te worden beschouwd dan [als] eene nuttige Ledemate der Maatschappij.’ Paul gaf aan Vesta al enige tijd als een ‘braaf’ meisje te kennen en zijn hart aan haar verpand te hebben. De Commissarissen van Huwelijkse Zaken van Amsterdam stonden echter een huwelijk in de weg op grond van de Franse circulaire, die hier nog weer eens als wet aangeduid werd. Paul argumenteerde dat de Franse wetten niet meer van kracht (kunnen) zijn en voegde daaraan toe bewust te zijn van ‘de Menschlievendheid der thans regeerenden Vorst, dewelke alle Gods schepselen, wie zij ook zijn mogen, met eerbied beschouwd en geen onderscheid van persoon laat plaatsgrijpen, om nog zoo veel te meer, daar voorn[oemde] Celestina Martina Vesta den Christelijken Godsdienst heeft omhelst.’

Ook hier zien we weer de tegenstelling tussen een vermeend juridisch obstakel voor het huwelijk, gecombineerd met een beroep op menselijkheid en clementie, waarbij een Christelijke identiteit hoog aangeschreven staat. Nieuw in dit geval is de directe verwijzing naar de gelijkheid van alle mensen voor de wet, zij het verpakt in een verwijzing naar de alom bekende menslievendheid van de Koning. Het lijkt er op dat Paul gesteund werd door een goede advocaat. Maar waarom die dan geen kennis had van de eerdere jurisprudentie is onduidelijk. De Koning laat nog wel nagaan of de gegevens uit het verzoek kloppen, maar volstaat verder met een verwijzing naar Zijn Besluit van 1814 in de zaak Machielse. Er is geen toestemming nodig.

Het Hoornse geval uit 1815, beschreven door Toes, betreft een Curaçaose man en een Nederlandse vrouw, beiden twintigers. Opvallend aan die zaak is dat het de burgemeester van Hoorn was die zich in een brief direct tot de president van het Hooggerechtshof Van Maanen wendde, in plaats van tot de Koning. Het verzoek had het karakter van een advies en dat gaf Van Maanen ook. Hieruit blijkt dat de circulaire maar één van de obstakels was. De aanstaande bruidegom, Joseph Bartholomij Comina was tamboer-majoor der mariniers, zonder familie en onvermogend. Vooral die laatste elementen waren hinderpalen en Van Maanen adviseerde om discreet te werk te gaan en de ‘vigeerende wetten’ met ‘voorzichtige inschikkelijkheid’ toe te passen, in het belang van de vragende partijen (Toes 2001: 314-315).

De laatste zaak, uit 1823, sluit hierbij aan. Het betreft ene Jan van Oost, die rond 1810 met een Nederlandse legerofficier vanuit Nederlands-Indië naar Veendam gekomen is. In Indië was hij een slaaf, in Veendam vanzelfsprekend vrij. Zijn verzoekschrift betrof vooral de onmogelijkheid om zich te legitimeren. Hij had geen geboortebewijs, geen ouders of grootouders en ook geen bekenden die konden helpen om zijn identiteit vast te stellen. Dus kon hij volgens de regels niet trouwen. De Koning loste dit op en gaf als hoogste bestuurder toestemming voor het huwelijk. Ook hier was het hoofdelement van het verzoek echter de betwisting van de rechtsgeldigheid van de circulaire van 1803. Voor wat betreft het element van ras betoogde Van Oost bovendien dat hij niet zwart was, maar eerder een ‘mulat’ of persoon ‘van couleur’, want geel en bruin van aanzien. De reactie van de Koning was gelijk aan de eerdere, nu met verwijzing naar zowel de zaken van 1814 en 1819.

Of er na 1823 een einde kwam aan de onduidelijkheid over de rechtsgeldigheid van de circulaire is onbekend. Mogelijk duiken er bij verder onderzoek nog (veel) meer zaken op. Wat de precieze achtergronden waren die de betrokken Commissarissen van Huwelijkse Zaken bij herhaling tot een verbod op een gemengd huwelijk deden besluiten ook niet. Ook weten we of er in deze periode wellicht tientallen of honderden interraciale huwelijken gesloten zijn waar de commissarissen géén beroep deden op de circulaire.

III

Voor de kinderen van Christiaan en Kaatje rijst nu de vraag of zij in Weesp of elders ook last gehad hebben van de onduidelijkheid over de status van de aanschrijving van 1803? Of van de sociale vooroordelen die daarmee samenhingen? In ieder geval valt het op dat er bij meerdere kinderen sprake was van een wat irregulier huwelijkspatroon. Of dit te wijten was aan obstakels op basis van huidskleur is niet duidelijk en aanvullend onderzoek lijkt hier op zijn plaats. In chronologische volgorde vallen de volgende zaken op.

– Dochter Grietje (1784-1852) beviel op 15 mei 1812 van een ‘natuurlijke’ dochter die zij de voornamen gaf van ‘Hendrika de Jong’. De vader bleef onbekend, maar het zal vermoedelijk een Hendrik de Jong geweest zijn. Of er sprake was van trouwbeloften en/of -plannen is niet bekend. Hendrika werd ook niet gedoopt. Een verzoek van haar moeder hiertoe liep op niets uit. Wat de bezwaren van de dominee en kerkenraad waren is vooralsnog niet bekend.
Grietje kreeg op 13 april 1817 te Den Helder een zoon Joseph Nassies, van wie de vader ook Joseph Elias Nassies heette. Klaarblijkelijk was het paar gehuwd, maar een huwelijksakte is (nog) niet gevonden.

– Oudste dochter Catharina (1780-1813) overleed ongehuwd in 1813, op drieëndertigjarige leeftijd. Als getuige trad bij de overlijdensaangifte op ene Johannes Leonardus van Toornburg, ‘vriend van de overledene’. Het zou maar zo kunnen dat Van Toornburg dé vriend van Catharina was en dat zij om de een of andere reden niet hadden kunnen trouwen.

– Zoon Teunis (1787-1871) trouwde te Amsterdam op 7 mei 1815 met de negen jaar oudere Hendricka Heutinck (1778-1842). Op 21 september 1816 werd te Amsterdam hun zoon Jan Christiaan van de Vegt geboren. Een reguliere relatie en geboorte, maar met de kanttekening dat de echtgenote veel ouder was dan haar man.

– Zoon Christiaan jr. (1791-1856) trouwde op 5 augustus 1820 met Marretje de Jong (1794-1829). Hun oudste kind Christiaan was al twee weken eerder geboren, op 21 juli 1820.

– Zoon Cornelis (1782-1849) trouwde 29 oktober 1820 met Dirkje Mulder (1794-1877). Hun eerste kind Kaatje werd op 1 december 1820 geboren.

– Dochter Antje (1796-1863) trouwde 26 september 1821 met Nicolaas Britting. Hun zoon Alexander werd twee maanden later al geboren, op 24 november 1821.

– Zoon Jan (1789-1839) bleef in Nederland ongehuwd en vertrok als militair naar Suriname. Er is geen reden bekend voor zijn ongehuwde status.

Nu zijn ‘moetjes’ in de eerste helft van de negentiende eeuw geen uitzondering en passen ook wel bij bestaande huwelijkspatronen, waarbij men geruime tijd verloofd kon zijn alvorens te trouwen. Bovendien, in de eerste tien jaar van het Koninkrijk was de armoede en sociaal-economische ontwrichting in Nederland zodanig dat veel sociale en culturele gebruiken en regels onder druk kwamen te staan. Uitgestelde huwelijken passen daarbij. Ook in dat opzicht hoeven de huwelijks- en geboortepatronen bij de kinderen van Christiaan en Kaatje niet direct als bijzonder gekwalificeerd te worden. Maar vragen blijven er wel bestaan.

IV

Samenvattend kunnen we stellen dat de Franse circulaire van 1803 ons laat zien dat de problematiek van ras in Nederland op het niveau van de lokale overheid in de vroege negentiende eeuw en dus zeker ook daarvoor niet afwezig was. De beschreven gevallen van – in eerste instantie – verboden huwelijken tonen een overheid die een verbod op interraciale huwelijken acceptabel lijkt te vinden. Immers, de circulaire van 1803 wordt iedere keer opnieuw als acceptabel wettelijk kader gezien. Dit ondanks de valide argumenten van de aanstaande echtparen voor een alternatieve interpretatie. En ook in de adviezen van C.F. van Maanen wordt iedere keer opnieuw het zuiver juridische punt van de ongeldigheid van de wet gesteld naast een sociaal-culturele argumentatie. In die laatste wordt huidskleur dan afgezet tegen civilisatie, wat zich in vroeg-negentieende-eeuwse termen vertaald naar sociaal-economische positie in de Nederlandse samenleving (een braaf burger zijn) en Christelijk geloof. In één geval wordt bovendien gerefereerd aan de fundamentele rechten van de mens, die bepalen dat alle mensen gelijk zijn. Juridisch en maatschappelijk was dit een principe dat in Nederland voor het eerst vastgelegd werd in de Staatsregeling van 1798, in artikel 3: ‘Alle Leden der Maatschappij hebben, zonder onderscheiding van geboorte, bezitting, stand, of rang, eene gelijke aanspraak op derzelver voordeelen.’ In latere grondwetten, waaronder die van 1814 en 1815 was dit minder expliciet vastgelegd, maar het principe verdween daarmee niet. C.F. van Maanen zal dit ook scherp in gedachten gehad hebben toen hij zijn eerste advies formuleerde in 1814 en dat vervolgens een decennium lang bleef herhalen. Die Franse circulaire was niet alleen in termen van toepassing ongeldig, maar stond ook diametraal tegenover de fundamentele rechten van de mens die Nederland vanaf de jaren late 1790 omarmd had. En bovendien paste die formalisering van de mensenrechten goed bij de cultuur van tolerantie, ook raciale tolerantie, die al in de zeventiende en achttiende eeuw het Nederlandse staatsbestel en de Nederlandse cultuur kenmerkte.

Notitie bij de bronnen:

De gang van zaken rond de circulaire van 1803 is beschreven door de rechtshistoricus Jaap Toes (Toes 1997 & 2001) op basis van de gevallen uit Amsterdam in 1814 en Hoorn in 1815. Toes concentreert zich op de bronbeschrijving, meer dan op een analyse van de verschillende elementen van de deliberaties (juridisch, sociaal, historische achtergronden). Dat is ook het geval bij Dienke Hondius, die het verbod in enkele regels en een voetnoot afdoet, zonder verdere analyse. In beide artikelen van Toes zitten ook een aantal fouten, zoals de ondertitel van het artikel uit 1999 – ‘verbod in 1815 opgeheven’ – waaruit men ten onrechte zou kunnen opmaken dat er in Nederland wél een verbod op huwelijken tussen blank en zwart gegolden heeft. Voor dit blog zijn de originele stukken van 1814, 1819 en 1823 bekeken, met speciale aandacht voor de toonzetting ervan, waardoor de juridische en sociale argumenten in hun eigen context gewaardeerd kunnen worden en er meer gezegd kan worden over mogelijke andere gevallen, zoals dat van Christiaan en zijn kinderen. Het in het blog genoemde Haagse geval werd de auteur medegedeeld door de heer Jean Jacques Vrij te Amsterdam, die met een uitgebreider onderzoek naar interraciale huwelijken in Nederland bezig is.

Archiefbronnen:

Nationaal Archief, Den Haag, Archief Staatsecretarie 1813-1840 (2.02.01)
– inv. nr. 22, Exhibitum & Soeverein Besluit 9 juni 1814, nr. 38, inzake Jan Andries Machielse (geb. Curaçao ca. 1761) en Gerardina Hellendoorn (geb. Emmen), Amsterdam. Saillant detail is hier dat Machielses eerste echtgenote, de Curaçaose Dorothea Anthonie, in 1813 om het leven was gekomen doordat zij in de Amsterdamse Zuiderkerk tijdens de kerkdienst een kroonluchter op haar hoofd had gekregen.
– inv. nr. 887, Exhibitum & Koninklijk Besluit 19 oktober 1819, nr. 91, inzake Anthon Paul (geb. Nîmes [sic] in Bohemen 1784) en Celestina Martina Vesta (geb. Curaçao 1781), Amsterdam.
– inv. nr. 1713, Exhibitum & Koninklijk Besluit 30 juli 1823, nr. 36.
Nationaal archief, Den Haag, Archief Ministerie van Justitie 1813-1876 (2.09.01)
– inv. nr. 2, nr. 572: J.C. van Bloquerie aan C.F. van Maanen, Hoorn 17 jan. 1815, inzake Joseph Bartholomij Comina (geb. Curaçao ca. 1789) en Elisabeth Dudock (geb. Kampen ca. 1793) (geciteerd in Toes 2001: 314n.7).
– inv. nr. 2, nr. 572: C.F. van Maanen aan J.C. de Blocquerie, Den Haag 30 jan. 1815 (dito).

Literatuur:

Doortmont, M.R. & N. Everts, ‘Onzichtbare Afrikanen’, in: ’t Hart, M., J. Lucassen, & H. Schmal (red.), Nieuwe Nederlanders. Amsterdam: Stichting Beheer IISG, 1999. p. 81-100.
Doortmont, M.R., N. Everts & J.J. Vrij, ‘Tussen de Goudkust, Nederland en Suriname. De Euro-Afrikaanse families Van Bakergem, Woortman, Rühle en Huydecoper’, De Nederlandsche Leeuw. Tijdschrift van het Koninklijk Nederlandsch Genootschap voor Geslacht- en Wapenkunde 117 (2000), 170-212, 310-344, 490-577.
Heuer, Jennifer, ‘The one-drop rule in reverse? Interracial marriages in Napoleonic and Restoration France’, Law and History Review 27 (2009) 515-548.
Hondius, Dienke, Blackness in Western Europe: Racial patterns of paternalism and exclusion. New Brunswick (U.S.A.) / London: Transaction Publishers, 2014.
Toes, Jaap, ‘Een zwarte bruidegom en een blanke bruid’, Pro Memorie: Bijdragen tot de Rechtsgeschiedenis der Nederlanden 3 (2001) 313-315.
Toes, Jaap, ‘Zwarte bruidegom, blanke bruid. Verbod in 1815 opgeheven’, Oud Hoorn: Kwartaalblad van de Vereniging ‘Oud Hoorn’ 19 (1997), 163.