Hoofdrolspelers:
Getuige 1 en slachtoffer: Jacob Guitard, catoendrukker woonende op den Rapenburgergragt, ten huijze van Vr[ouwe] de wed[uw[e] Izaac Couderq,
Getuige 2: Jan Bordes, cargadoor, woonende in de Slijkstraat,
Getuige 3: Grietje Jans, als werkmijd en
Getuige 4: Catharina Willems, voorkeukenmijd, woonachtig ten huize van de weduwe Izaac Couderq

Hendrik Cannegieter Jansz: catoendrukker en compagon van Magdelena D’Arrest
Swarte jongen van Magdelena D’Arrest: Christiaan die dan nog Presto heet

De zusters van Abraham D’Arrest, buren en die wel genoemd worden maar niet aanwezig waren
Judith D’Arrest, weduwe Izaac Couderc en Magdelena D’Arrest, weduwe Willem Couderc.

Plaats:
Amsterdam, Rapenburgergracht (tegenwoordig Entrepot)

*************************************************************************************

Stadsarchief Amsterdam
Notarieel Archief Amsterdam no. xxxx
Akte 5 december 1770, no. 904

Verklaring

No. 904
Verklaring van Jacob Guitard en cons[orten] ter requisitie van
Den weledele gestrenge heer Mr. Willem Gerrit Dedel Salomonsz.,
hoofdofficier dezer stad r:o:

Op den vijfden December Anno zeeventienhonderd en zeventig

5 december 1770

Compareerden voor mij Gerardus Wijthoff, notaris bij den Hove van Holland geadmitteert, te Amsterdam resideerende in presentie van de nagenoemde getuigen.

Den heer Jacob Guitard, catoendrukker woonende op den Rapenburgergragt, ten huijze van Vr[ouwe] de wed[uw[e] Izaac Couderq, Jan Bordes, cargadoor, woonende in de Slijkstraat, Grietje Jans, als werkmijd en Catharina Willems, voorkeukenmijd, woonachtig ten huize van [tekst doorgehaald en in marge:] vrouwe de weduwe Izaac Couderq, voornoemt, binnen deze stad, alle getuigen van competente ouderdom. Dewelke bij deezen ter requisitie van den weledele gestr[enge] heer Mr. Willem Gerrit Dedel Salomonsz., hoofdofficier deezer stad R:O: en ten behoeven van diegenen, welke zulks eenigzints verder zoude mogen aangaan, voor de waarhijd getuigen en verklaren.

En wel eerstelijk zij getuigen alle te zamen, dat op zaturdag den 24 November laatstleden, des avonds tusschen 7 en ½ 8 uuren, zij twee eerste getuigen, en wel hij eerste getuige met een rode catoene Japon aan, ten huijze, en int comptoir van hem eerste getuige bij elkanderen zittende, voor aan de deur op de Rapenburgergragt (zoals zij twee laatste getuigen verklaren gehoort te hebben) geschelt is geworden.

Verklarende zij getuige Grietje Jans alleen, dat zij getuige daarop met een blaker en een brandende kaars op dezelve, de deur open gedaan hebbende, heeft gezien dat de swarte jonge, welke woont ten huijze van vrouwe de weduwe Willem Couderq, die allernaast de eerste getuige woonachtig is, op de stoep voor de deur, en de heer Hendrik Cannegieter Jansz. beneeden aan de stoep op de straat stonden. Dat gemelde swarte jongen alstoen aan haar getuige heeft gevraagt, is mijnheer Guitard thuis, waarop zij getuige antwoorde Ja, mijnheer is in ’t comptoir, wanneer de evengedachte swarte jongen tegen haar zijde: de dienst presentatie van mijnheer Cannegieter, ende die verzoekt mijnheer eens te spreeken.

Dat zij getuige daarop direct na ’t comptoir, alwaar zij twee eerste getuigen bij elkanderen zaten, is gegaan, en aldaar (zoals zij drie eerste getuigen nu tezamen verklaren) ende de derde tegens hem eerste getuige heeft geroepen mijn Heer, mijnheer Cannegieter is voor en die verzoekt u te spreeken. Wannneer hij eerste getuige haar derde getuige insgelijks toeriep Ik kom aanstonds voor. Attesteerende zij derde getuige Grietje Jans alleen dat zij direct weder naar vooren aan de deur gegaan zijnde, aan de heer Cannegieter, die nog voor de stoep op straat stond, heeft verzogt om in huijs te komen, dog dat dezelve daarop antwoorde: Ik zal hier maar blijven, ik moet mijnheer maar een enkelt woord spreeken.

Dat de eerste getuige (zoals hij eerste en zij derde getuigen Jacob Guitard en Grietje Jans nu tezamen getuigen) voor aan de deur komende, en ziende dat de heer Hendrik Cannegieter Jansz., op de straat voor de stoep stond, aan dezelve heer Cannegieter op ’t allervriendelijkste heeft verzogt om in huis te willen komen, dog dat gemelde Hendrik Cannegieter Jansz. zich daarvan excuseerde, en teegen hem eerste getuige zeijde: ik bedank u, ik heb u maar een enkel woordtje te spreeken. Dat hij eerste getuige daarop de stoep af, bij de heer Cannegieter gegaan zijnde, dezelve heer Hendrik Cannegieter Jansz. direct, en op ’t alleronverwagst, en zulks op een brutale en verraderlijke wijze hem eerste getuige, voor in zijn borst gegrepen en tegelijk teegens hem eerste getuige gezegt heeft: blixems kind, wat heb jij van mijn dochter te zeggen, geevende meteen ook hem getuige verscheijdene sware slagen, onder welk slaan de voormelde heer Cannegieter tegens hem eerste getuige zeijde: ik zal u goddom[m]e in ’t water gooijen, wanneer hij eerste getuige schreeuwde en om hulp riep, hebbende hij eerste getuige (zoals die nu alleen getuigt) in de uiterste confusie en ontsteltenis, als niet weetende wat hem overkam, immers niet bewust zijnde aan de heer Cannegieter eenige de minste reedenen gegeeven te hebben om hem get[uige] zo brutaal aan te vallen en te slaan, de meervoormelde heer Hendrik Cannegieter Jansz. stijf om zijn hals gevat en vastgehouden, wordende hij getuige (die niet groot is, [hier is doorgehaald: “en ligt van perzoon is” en vervangen door slecht leesbare tekst:] op licht van perzoon komt te zijn [?]) alzo door gedagte heer Cannegieter over de straat voortgedragen tot aan de bomen die op de wal staan, alwaar den meergedachte heer Cannegieter struikelde en hij getuige dus met hem aan de waterkant tegens den grond, en wel hij getuijge onder hem viel.

Attesteerende zij derde getuige Grietje Jans alleen, dat zij getuige ziende dt de heer Hendrik Cannegieter Jansz. hem 1[ste] getuige zo onverwagts brutaal aanviel en sloeg, na de keuken is gelopen en haar confrater de laatste getuigen (zoals zij twee laatste getuigen nu tezamen verklaren) geroepen en tegen haar gezegt heeft, kom voor, onze mijnheer word door mijnheer Cannegieter geslagen, wanneer zij getuigen tezamen na vooren en de deur uit op straat liepen, alwaar zij getuigen zagen dat de eerste getuige op de straat, aan de waterkant, achterover, en de heer Hendrik Cannegieter Jansz. (haar getuigen zeer wel bekent) bovenop hem eerste getuige lag; dat de swarte jonge, hier vooren gemelt, meede daarbij was, en hem eerste getuige de handen vasthield, wordende hij eerste getuige intusschen door de meer voormelde Hendrik Cannegieter Jansz. zeer swaar en ijselijk geslagen. Verklaarende hij eerste getuige nu alleen, dat hij wel weet dat hij achterover op straat leggende en hem getuige, door de swarte jonge de handen intusschen vastgehouden wierd, dog dat hij getuige door de overgrote alteraties en confusies waarin hij zig bevond niet weet of kan verklaren welken woorden de heer Hendrik Cannegieter Jansz. inmiddels tegen hem getuige gebruikt heeft.

Verklarende hij eerste en zij twee laaste getuigen tezamen dat zij twee laaste getuigen ijndelijk hem eerste get[uige], wiens hoed van zijn hoofd was, en zijn paruik geheel verdraaijt op zijn hoofd zat, van onder de voormelde heer Cannegieter vandaan getrokken, mitsgaders op de been geholpen en in huis gebragt hebben; wanneer zij getuigen bij ’t licht zagen dat hij eerste getuige te wederzijden van zijn hoofd geblesseerd, en zijn Japon van vooren gescheurd was. Attesterende zij twee eerste getuigen nu weeder tezamen dat hij eerste getuige bij hem 2[de] get[uige] weeder in ’t comptoir gekomen zijnde, hij 2[de] get[uige] van hem eerste get[uige] heeft gehoort hoedanig brutaal hij eerste getuige zo aanstonds door de heer Hendrik Cannegieter Jansz. bejegent en geslagen ware, wanneer hij 2[de] get[uige] ook zag dat hij 1[ste] get[uige] te weederzijden van zijn hoofd geblesseerd was, hebbende hij eerste get[uige] immediaat op de bekomene blessure wat [strijken?] salf gesmeerd.

Verklarende hij eerste getuige alleen dat hij getuige dien geheele nacht genoegzaam niet heeft kunnen slapen van de pijn die hij door ’t slaan in zijn hoofd en leeden had, hebbende hij getuige des nachts ook nog ontdekt, dat hij aan de linkerzij op zijn hoofd een wond bekomen had en ’t bloed aan zijn slaapmuts zat, ’t geen zij twee laatste getuigen des morgens, toen hij eerste getuige was opgestaan, ook hebben gezien.

Attesteerende zij getuigen nu alle tezamen, dat zij 3 laaste getuigen des anderendaags, en dus des zundags, hebben gezien, en hij eerste getuige gevoelt en ondervonden dat het hoofd & aangezigt van hem eerste get[uige] zeer geswollen en bond en blaauw geslagen eruit zag, en hij eerste get[uige] in eenige daagen genoegzaam niet in zijn comptoir heeft kunnen verrigten.

Laastelijk getuigen zij eerste en twee laaste getuigen tezamen, dat zijn eerste getuiges behuwdbroeder de heer Daniel Thuret, wonende te Weesp, des maandags den 26 9ber [=november] laastleden bij hem get[uige] aan huijs gekomen zijnde en ’t geval dat hij eerste getuige met Hendrik Cannegieter Jansz. gehad had, van hem eerste getuige gehoort hebbende, de heer Daniel Thuret direct de deur uitgegaan is, om de voormelde heer Cannegieter op te zoeken, en aan dezelve de reedenen, waarom hij hem eerste getuige zo brutaal behandelt had, te vragen. Dat de heer Daniel Thuret eenige tijd daarna weder aan ’t huijs van hem 1[ste] get[uige] is teruggekoomen, en in presentie en ten aanhooren van hun get[uigen] verhaalt heeft, dat hij Hendrik Cannegieter Jansz., in het huijs van zijn dochter, op ’t Water [=Damrak] gesprooken had, en aan hem had gevraagt wat reedenen hij had gehad, om hem eerste get[uig]e zo brutaal te attacqueeren, waarop de voormelde Hendrik Cannegieter Jansz. had geantwoord: mijnheer Thuret, ik weet het niet, ik heb er geen reeden toe gehad, ik weet ik heb hem canailjeus behandeldt, al had ik slagen gekreegen, ik had ’t verdiend, ik weet ook niet hoe dat ik ertoe gekoomen ben, ik schaam mijzelve, ik ben ook op de Cadijk nog nog niet geweest en durf er van schaamte mijn beenen niet te zetten. Dat de heer Thuret daarop aan de heer Cannegieter gezegt had, ’t is canailjewerk iemand met goede woorden de deur uit te lokken en dan zo goddeloos toe te takelen, waarop de voormelde heer Cannegieter had geantwoord, dat is ook waar, ik weet niet hoe ik ertoe gekoomen ben, maar de duijvel heeft het mij ingegeeven, jij moest de zaak zien bij te leggen zoals ik de zaak met uw zuster bijgelegt heb, alles met deeze of diergelijke woorden in substantie.

Geevende zij getuigen voor reedenen van weetenschap als in den verkl[aring] staat vermelt, berijd zijnde al hetgeene door hun hiervooren is gedeposeert [van: depositie, verklaring] (des gerequireert wordende) nader met solemneele eede te bevestigen.

Gepasseert t’Amsteldam voornoemt in presentie van Zeeger van Rossen en Dirk v[an] Cattenburg als getuigen.

[w.g.]
J. Guitard
Jan Bordes
Griete Janse
Cattrinna Willemsen
Z.V. Rossen
Dk. Cattenburg
Gs. Wijthoff, Notaris

De vorenstaande verklaaring is [onleesbaar woord: “be…lijk”?]

Het bijbehorende blog vind je HIER


Reacties

Akte 1770 — Geen reacties

    Geef een reactie

    Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

    Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.