Originelen vindt u HIER

Aan Zijne Majestein den Koning
der Nederlanden, Prins van Oranje
Nasfau, Groot-Hertog van Luxem
burg, etc etc etc

Geeft met de diepsten eerbied te kennen Christiaan van der Vegt, geboren op de kust Guinea, oud zijnde  circa 74 Jaren, woonende te Weesp.
Dat de Suppliant de Eer gehad heeft in de maand September des vorigen jaars aan Uwe Majesteit te presenteren een Rekest, houdende na het poseren der vereischte middelen een allerootmoedigst verzoek, dat het Uwer Majesteit goederrierenlijk mogte gelieven, de nodige orders te geven, dat aan hem van wege gemelde stad wier de uitbetaald de somma van Een honderd achttien Guldens en negentien Stuivers, wegens agterstallige bezoldiging als Pluimgraaf, mitsgadens verschotten, en wijdenrs omme uit ontferming, met de eene of andere bediening door Uwe Majesteit te worden begunstigd.

Dat uwe Majesteit dit Rekest bij appostilaire dispositie van den 26 September 1816 No 75 aan Hoogstdeszelfs Minister van Binnenlandsche zaken gerenvoijeerd hebbende zulks het effect heeft gehad

[blz 2]
dat bij hem Minister het berigt van de Regering der gemelde Stad is ingewonnen en deze op de gedane
aanvrage aan den Heer Minister, heeft geïnformeerd, dat de Suppliant tot den 12e augustus 1811 ten vollen was aanbetaald, en er mitsdien op dezelfde gesusteneerde practendie geen regard kon word den geslagen, althans dat hij Minister zich onbevoegd beschouwde daaromtrent aan de Stedelijke Regeering eenige aanschrijving te doen, terwijl wat deszelfs tweede verzoek, namelijk dat om een Post, aanging, de Suppliantter dezer gelegenheid bij vernieuwing aan de Stedelijke Regering was aan bevolen en er dus alle vooruitzicht voor hem was, om bij de eerste mogelijkhied aan zijn verlangen ten dezen te zullen voldaan zien; alles blijkens besluit van gem. Minister in Dato 14 November 1816. No 30 bij afschrift aan den Suppliant uitgereikt.

Dat deze Informatie der Regering , Zoo hij vermeend met een klein verschil slegts van eenige dagen .. ook de waarheid conform is, dan dat hij Suppliant sustineerd van gen bediening zedert den 12 augustus 1811 tot den 28 october 1813, zijnde twee jaren en elf weken pro rato van f 52,- s Jaars, nog te vorderen te hebben. Een honderd vijftien Guldens, uitmakende met een voor schot van drie Guldens, negentien stuivers de
voorschreve somma van Een honderd achtien Guldens en negentien Stuivers.
Dat de Suppliant uit eerbief voor zijne Stedelijke Overheid, zich zal onthouden hier omtrent en te aanzien
der handelwijze in het generaal met hem gehouden eenige reflectien, hoe veele er ook anders waren te

[Blz 3]

maken en alleenlijk, aan de voeten van Uwe Majesteit gekromd, terwijl zijne tranen daar op ruimschoots vloeien, uit zijn borst de kreet des weedoms rukt, om Uwe Majesteit op het hem aangedaan wordend onregt, allereerbiedigst te bepalen, aan de Hooge wijsheid van zijnen goeden weldadigen, Koning, de beslissing overlatende of de handerwijze van de Regering der Stad Weesp met hem gehouden wordende, de toets der regtvaardigheid kan doorstaan, en tevens het bezigender middelen om daar in de voorzien, mitsgadens ook in Hoogst deszelfs wijsheid te doorgronden, of hij Suppliantte wagten heeft van deze eenige de minste gunst te verkrijging van een middel van bestaan te erlangen.

Dat de Suppliant, ofschoon met een zwart vel bedekt, echter een hart omdraagt, dat even warm is van liefde voor en getrouwheid aan het Koninklijk Huis en den onschatbaren perzoon van Uwe Majesteits als de magtiste des Rijks. Hij toch had de eerreeds Uwer Majesteits Tante, Hare Doorluchtige Hoogheid, Mevrouwe de Proncesse Carolina van Oranje Nasfau, en mede wijlen Zijne Doorluchtige Hoogheid, den
welbeminden Prins Erfstadhuder, Uwer Majesteits vader, zijn Suppliants weldoener G[oed] G[unstig] als domestiek tedienen, en de edele trits der Vorstelijke lievelingen en alzo ook Uwe Majesteit, zijnen thans dierbaren Koning op de armen te dragen. In de Winter zijner dagen ziet hij de Orange zon ten hoogsten toppunt van duister geste gen en hij dankt op zijne gebogene knien het weldadig Opperwezen. Uwe Mafesteit veroorloove in genade, den ouden vieren zeventig jarigen Christiaan even als gansch het volk van Nederland, Hoogst dezelve Vader te noemen en in die tedere betrekking Uwe Majesteit zijn akelig lot te schilderen. Sterk, gezond en levendig in kragten, maar kreupel en belast met eene steeds zieke vrouw en nog twee zijner vijf kinderen (een van deszefs zoonen heeft de eer zijnen geliefden Koning

[Blz 4]

als militair te dienen en streed te Waterloo met eer) snakt hij met dikwerf naam eene Beete broodsen siddert voor de morgen eener nieuwen daageraad nog eenige schreden voor het graf zijn hem overig om Christen te sterven en alleen Uwe Majesteit is door de voorzieningheid in staat gesteld hem deze schreden, zonder van honger om te komen, mogelijk te maken.

Weshalven hij Suppliant zich keerd tot Uwe Majesteit allerootmoedigst smeekende, dat het Uwe Majesteit
in Hoogst deszelfs regtvaardigheid en vaderlijk mededogen, behaage, ten aanzien van de Regeering der stad Weesp ter bekoming van voors zijn agterstallig tractement en verschot te zamen uitmakende eene Somma van Een honderd achtien Guldens en negentien Stuivers zodanig besluit te nemen, als het
Hoogstdezelve in zijne wijsheid behagen zal, En wijdens goederentierenlijk hem Suppliant elders te beneficeeren met een klein commiepostje of welzoo wanneer zulks onmogelijk mogte zijn, met Hoogstgenadig een klein pensioen te schenken door wel k een of ander hij Suppliant met de zijne aan het gebrek ontrukt. Stervende de hand des Almagt zal kunnen zegenen, die hem naar dit goede land heeft overgebragt, alwaar Menschen liefde op den Troon gezeteld is.

Welk doendes
Christiaan van der Vegt
T.A. Holland Soll.

***************************************************************************************

Reactie van de Burgemeesters van Weesp op de brief:

Weesp den 13 Mei 1817.

bij Appostille van den 5e Mei l[aatst]l[eden] door U.H.E.Gr in onze handen gesteld zijnde ten fine van berigt Consideratien en Advis, een request aan Z.M den Koning gepresenteerd door door Christiaan van der Vegt woonende binnen deze Stad wegens uitbetaling van eene gesustineerde pretentie van Tractement en Verschot als Pluimgraaf enz. hebben wij de Eer met terugzending van het zelve stuk gequoteerd No 61/1865 daaraan te voldoen.
Na het door ons op een voormalig request ten zelfde einde door den requestrant gepresenteerd op den
22 October 1816 aan U.H.E. Gestr ingezonden advis, en op welke door Z.E. den Heere Minister van Binnenlandsche Zaken in dato 14 november 1816 No 30 is gedisponeerd en aan den requestrant afschrift gezonden hadden wij ons gevleid de zaak te zijn getermineerd en wij alzoo ontslagen van ten derde malen
over hetzelve point te moeten adviseren, hetwelk natuurlijk herhalingen van voorige redenen moet behelzen.
Deze questtrant schijnt echter verkozen te hebben in denzelve dispositie niet te berusten en hetzij door zichzelven, hetzij op raad van anderen een nader request verkieselijk te achten en door schoone woorden die onzes oordeels tot het wezen der zaak niets afdoen, Z.M. tot eene gunstiger dispositie te brengen.

[blz 2]

Wij zullen aan die klanken niet blijven hechten evenmin als de in het request, voorkomende verklaring dat
hij uit eerbied voor Zijne Stedelijke overigheid zich onthouden zal van eenige reflectien hoewel hij zegt er ook anders voorhanden waren te maken ten aanzien der handelwijze met hem gehouden, daar wij ons aan dat Uilengekras niet storen willen, en beneden onzen aandacht geacht moet worden.
Ter Zake tredende moet ons berigt zich alleen tot het verzoek van den Requestrant bepalen, en welk verzoek
op onzes oordeel of fautieve gronden is gebaseerd. Immers in den Jare 1811 door den toenmalige Prefect van de Zuiderzee aan den Heer Maire geweigerd zijnde een Post van Tractement voor den Pluimgraaf op het Budget te plaatsen. Kwam daardoor vanzelven de voormelde post te vervallen waarvan des […] aan den requestrant is kennis gegeven, door denzelfden Prefect gelast zijnde de stads Zwanen te verkopen weerdt gevolglijk het bestaan van een Pluimgraaf noodeloos.
Tot op den 12 Augustus 1811 is blijkens de quitanties het verschuldigde aan den Requestrant als Pluimgraaf uitgereikt geworden. en heeft op voornoemde gronden alle verdere betalingen opgehouden te bestaan. Het tractement van den Pluimgraaf was f 50,- ’s Jaars en niet f 52,- zooals door den Requestrant abusivelijk wordt opgegeven.
Op geene gronden dus kan den Requestrant eenige pretensien sustineeren en het is ons onverklaarbaar waarop den Requestrant zijne Pretensien alleen tot den 28 oktober 1813 bepaald heeft dan toen de Post Pluimgraaf opgehouden te bestaan, en waar om Juist op dien tijd? Of zoude het kunnen zijn, om dat hij na dien tijd eene kostwinning met twee zijner dogters gezocht heeft in, met eenige landlopers op de Jaarmarkten rondreizende voor een gewaande Koning van Kandia te spelen en alzoo het gemeen te misleiden!

[blz 3]

De requestrant heeft nog de Post van Turf en Koorndrager en Koolen Werker, is met zijn vrouw en 2 zoons welke laatste niet gezegd kunnen worden ten zijne lasten te zijn, daar dezelven hunne verdiensten tot onderhoud inbrengen. Een dezer zoons thans met verlof alhier is dienende bij de Nationale Militie zedert 1814, doch kan niet gezegd worden (zooals de Requestrant tot een drangreden van zijn verzoek verkiest aan te halen) te Waterloo met eer gestreden te hebben daar denzelven volgens zijne eigene getuigenis destijds te Mons was ingesloten.Of de Requestrant sterk gezond en levendig in kragten is willen wij niet desideren evenmin als Zijne capaciteiten tot een klein Commis postje beoordelen nog minder of er gronden betaan tot het schenken van een klein pensioen als daartoe ons onbevoegd oordelende maar nemen de vrijheid op alle die gronden te adviseeren dat des Suppliants verzoek ter bekoming zijner gesustineerde pretensien als daar toe geene termen zijnde worde gewezen van den hand.

Burgmeesters der Stad Weesp


Reacties

De Derde Brief van Christiaan — 2 reacties

  1. Hi Annemieke. Wat een geweldig vondst weer. Ik zal nog meer gaan opletten of ik zijn naam tegenkom bij mijn onderzoek in de archieven van Willem V en anderen. Tot nu toe niets gevonden, maar dat wil niets zeggen. Niet iedereen werd bij naam genoemd. Ik zag wel turfdragers met moor in de voor of achternaam. Het lijkt me echter onwaarschijnlijk dat hij dat is. Het zijn totaal andere namen: bijvoorbeeld More Jansen. Bedienden werden wel uitbesteed bij grote gelegenheden, heb ik de indruk. Ook vraag ik me af of hij niet Willem V, zijn zus Caroline (van Weilburg) en de kleine Willem I kan bediend hebben toen zij op bezoek waren in Weesp. Dat hij dat misschien bedoeld? Hij kan toen geld hebben gekregen. Bedienden van anderen werd vaak iets toegestopt door Willem V: een munt of zelfs een gouden ring. Keizer Josef II geeft bijvoorbeeld de pages van Willem V bij een incognito bezoek in 1781 gouden ringen met briljanten cadeau, na het bedienen. Zie hiervoor Van de Prins geen kwaad. De dagboeken van S.P.A. van Heiden Reinestein (2007)p

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.